Als ochtend puur en rein ontwaakt pleegt schoonheid grenzeloos verraad waar vlinder in haar stralen baadt Waar dauw koesterend en blijgezind rag in gouddraad dwarrelmind woont HEL van dit zonnekind Zijn kleurenvleugels drijven lieflijk als velours, teder zacht, licht sensorvliezen koesterstrelend tot geleedpotig voor diens charme zwicht met demonisch trippelend geluid wiens honger zinneminnend dwingt tot voeding van dit kleurenkind en naaktheid eindeloos besluit vlinders pure koesterhuid genadeloos in armen sluit wijl smart en leed, van zonlicht druipt. Hij schoonheid hongerig bemind genegenheid in warm verliest diens leven in een hel bevriest. Tot vlinder vast, zonder verweer zijn laatste adem zuchtend fluit en spinrag om zijn oren sluit. Sabine 4ma05

|