Voetstappen kraken in de sneeuw achter me. Toch ben ik geheel alleen in het witte toverachtige landschap. Angst bekruipt me tegelijk met een bizarre berusting. Het duurt nu vrijwel niet lang meer. Mijn ogen sluiten zich en mijn laatste zucht vriest in druppels tegen de open ijslucht, voor ze parelende putten maken, als ze met een doffe plof ter sneeuw storten. Het zijn mijn laatste geweest. De koude trekt weg uit mijn voeten, mijn levenslust fluistert stil mijn naam. Ik zie mezelf staan. Mijn bijna dode lichaam observerend. Ergens overweldigt het me. Het maakt me bang, voelt vreselijk en verrukkelijk tegelijkertijd. Ik weet dat ik niet hou van deze emoties, nooit gedaan ook. Ze kondigen verandering aan en daar knap ik op af. Psychologisch getreiter dat me uit evenwicht haalt, enerveert, intrigeert. Ik zie mezelf mijn naam fluisteren. Het maakt me nerveus. Het werkt verslavend en toch wil ik er niets mee te maken hebben. Ik neem afstand van mezelf. Niets voelt nog als het was, dit alles doet me afknappen op modale. Ik wil blinken, uitblinken. Liever dood dan middelmaat, wil ik zijn. En nu, na amper een half leven ga ik eindelijk uitblinken in iets. Mijn laatste herinnering zal tevens mijn oudste zijn. Sterf jong dan ben je een mooi lijk. Ik voel de tevredenheid door de trouw aan mezelf. Dan voel ik leegheid. Onmetelijke leegheid. De koude omringt me weer. Zou er ergens iemand een traan voor me laten? Mij missen? Ik vraag het me af of..., sterf ik dan toch nog alleen.
Sabine Luypaert
|